In 1906 was Age Tanja, oud 50 jaar, lichamelijk niet langer
geschikt voor het zware boerenwerk dat hij al zijn hele leven gedaan had en hij kon koster worden
van de hervormde kerk in Achlum. Dat leek een mooie oplossing, helaas niet voor lang, want hij
overleed in 1907. Zijn vrouw Jeltje mocht, ondanks dat ze een vrouw was, het kosterschap overnemen
omdat ze twee sterke, gezonde zonen had, Theunis en Jan. Zo zou het kosterswerk er niet onder komen lijden.
Jan werkte al als knecht op de naastgelegen
kloosterboerderij en deze baan kon er mooi bij. Geen van de inkomens uit die
tijd waren een vetpot en het combineren van banen en het hier en daar wat
bijbeunen was noodzakelijk om rond te komen. In 1913 is zoon Jan, toen 26 jaar
oud, getrouwd met Antje, 23 jaar oud. Het echtpaar is bij Jeltje ingetrokken,
in wat nu Op de Hichte heet. In naam was
Jeltje kosteres, maar het werk werd voornamelijk gedaan door de inwonende zoon
en schoondochter.
In 1914 werd een dochter, Tine, geboren, in 1917 volgde
Jeltje en zoon Age was in 1921 de hekkensluiter. De zusjes groeiden op in het kostershuis en groeiden
langzaam maar zeker ook in het kosterschap. Het was een familiegebeuren waaraan iedereen zijn steentje
bijdroeg. Zo werden zij langzaam maar zeker de derde generatie koster Tanja .
De school, waarvan zij het meestershuis bewoonden was rond
1910 verhuisd naar de Rehobothschool aan de Hitzumerweg. En die ruimte werd in de
loop van de jaren steeds vaker gebruikt voor vergaderingen, de jaarfeesten van de
jongelingen- en meisjesverenigingen, bruiloften, partijen, begrafenissen. Dat leverde naast het 'gewone'
kosterswerk, het kerkelijke werk, extra werk op, wat een mooie bijverdienste was voor de kostersfamilie.
Naarmate hun ouders ouder werden, voerden Tine en Jeltje
meer en meer de kosterstaken uit en alles wat er verder bij kwam kijken, uit. Daarnaast
hadden ze zich ook bekwaamd als coupeuse. Ze naaiden, verstelden en repareerden kleding voor anderen en
gaven handwerkles op de school. Ook waren ze jarenlang dienstbode bij de dominee en de
meester van het dorp. Ze speelden ook een belangrijke rol in het verenigingsleven. Niet alleen op
kerkelijk, maar ook op sociaal gebied ging het dorp hen ter harte. Veel oudere Achlumers, de
generatie van vlak na de Tweede Wereldoorlog die in de jaren 50 kind waren,
herinneren zich vooral nog de gratis limonade die de dames elk jaar schonken op
het dorpsfeest. Dat was toen een enorme traktatie! Niemand deed ooit vergeefs een beroep op de familie Tanja. Tijdens
de Eerste Wereldoorlog kregen Belgische vluchtelingen een jarenlang gastvrij onthaal in de
kosterswoning en in de bezettingstijd 1940-1945 vonden onderduikers een veilige
plek bij de familie. Jarenlange contacten kwamen hier uit voort, tot zelfs op de dag van vandaag, met nazaten
van de betrokken families.
In de periode tussen de beide wereldoorlogen groeiden de
zusjes op tot aantrekkelijke jongevrouwen. Er zal hoogstwaarschijnlijk belangstelling geweest
zijn van mannelijke zijde, maar het is bij geen van beiden tot een huwelijk gekomen. De dochters
van koster Tanja zouden hun hele leven de gezusters Tanja blijven, twee intelligente, montere,
ondernemende vrouwen met een groot hart, die een markante plaats in de Achlumer gemeenschap innamen.
Moeder Antje had twee nichten die ook Antje heetten, waar ze
nauw mee opgegroeid was. Een ervan trouwde met een boerenknecht en woonde in
Pietersbierum. Na hun beider huwelijken was er nauwelijks contact meer, niemand had nog fietsen in
die tijd. In de winter, met sterk ijs, lukte het wel eens om op de schaats bij
elkaar te komen. Het was armoe troef bij nicht Antje in Pietersbierum: haar man
leende geld om naar Amerika te gaan als melkknecht. Dat lukte, hij kreeg werk,
verdiende goed en omstreeks 1920 had hij genoeg verdiend om zijn schuld af te
lossen en zijn vrouw en kinderen over te laten komen. Van zijn boer kreeg hij
een stukje land en een kalf en van lieverlee heeft hij daar zijn eigen
melkveebedrijf opgebouwd.
Na de oorlog kreeg moeder van nicht Antje in Achlum te horen
dat ze eens naar nicht Antje in Amerika moest schrijven, die zou dat zo op
prijs stellen. Moeder Antje voelde hier niks voor, want iedereen die iemand in
Amerika kende, schreef daarheen en kreeg pakjes terug en moeder wilde niet dat
ze zouden denken dat het haar daar om te doen was. Maar nicht Antje hield vol en
eindelijk zette moeder haar trots opzij en schreef een brief. Prompt kwam er
een pakje terug uit Amerika met lappen stof voor drie jurken. Dat was toch wel
een heel welkom pakje in deze krappe na-oorlogse tijd, waarin alles nog op de
bon was. De drie jurken werden vakkundig genaaid door de gezusters, moeder en dochters
lieten zich in hun prachtige bloemetjesjurken fotograferen. Deze foto ging naar
Amerika en zo kwam er een regelmatige briefwisseling tussen de beide nichten op
gang, met inderdaad vanuit Amerika regelmatig een pakje.
Jaren later kwam Tine op het Jonkerschap een echtpaar tegen
in de leeftijd van haar ouders, waarvan je al van verre kon zien dat het Nederlandse
Amerikanen waren. Dat bleken nicht Antje en haar man Frank. Ze kwamen even langs om nicht Antje te
begroeten en zouden met de volgende bus weer uit Achlum vertrekken. Jammer genoeg waren heit en mem,
Jan en Jeltje Tanja, niet thuis, Tine probeerde ze aan de praat te houden, want
het zou toch wel zonde zijn als ze zouden vertrekken zonder heit en mem ontmoet
te hebben, Ze haalde er zelfs de dominee bij, die Engels sprak, omdat Frank
zijn memmetaal nauwelijks meer machtig was. Ze waren van plan om de volgende
week terug te keren naar Amerika, want Frank kon niet tegen het klimaat in
Nederland. Het leek erop dat hun bezoek, na meer dan dertig jaar
afwezigheid uit hun vaderland, hen nogal tegengevallen was. Maar nadat vader en
moeder Tanja thuisgekomen waren, werd het oprecht gezellig, zelfs Frank zijn Fries
kwam weer bovendrijven en dat ze het plan om de eerstvolgende bus uit Achlum te
nemen lieten varen en ook werd over de volgende week terugkeren naar Amerika
niet meer gepraat. Hun ticket was nog zes weken geldig en al die zes weken
logeerden ze in de gastvrije kosterswoning. En niemand heeft toen kunnen bevroeden wat
voor gevolgen dit bezoek, dat bijna niet doorgegaan was, jaren later op hun
verder leven zou hebben.
Na hun vertrek bleef er intensief contact tussen beide
families en nicht Antje schreef eens of ze, als zij er niet meer zou zijn, ze wilden blijven schrijven aan
Frank, die nooit terug zou schrijven, maar zo genoot van hun brieven. En zo gebeurde: moeder Antje en en dochter Tine bleven Frank schrijven na het overlijden
van zijn vrouw. Later hoorden ze langs een omweg dat Frank ook was overleden.
Hiermee leek de relatie tussen Friesland en Amerika ten einde gekomen,
aangezien er geen enkel contact met de kinderen van Frank en Antje was.
Totdat er in november 1960 een brief in het kostershuis
bezorgd werd afkomstig van een notariskantoor in New York. Frank had in zijn testament de
familie Tanja tot zijn erfgenamen gemaakt. De kinderen van Frank waren het er
niet mee eens, er is zelfs een rechtszaak van gekomen, maar er was geen speld
tussen te krijgen, het geld werd overgemaakt en ze waren zomaar opeens in zeer
goeden doen. En dat was als een lot uit de loterij: het kosterswerk begon
de familie zwaar te vallen, maar ophouden was niet mogelijk, want behalve het
inkomen bood het hen ook onderdak.
In 1963 konden ze met zijn vieren hun nieuwgebouwde bungalow
aan de U.P. Draismastraat 20 betrekken. Hiermee kwam een einde aan het bijna 60
jaar durende kosterschap van de familie Tanja, dat drie generaties besloeg.
Vader Jan en moeder Antje konden op de leeftijd van respectievelijk 76 en 73
van een welverdiende rust gaan genieten.
Andere tijden braken aan: Jeltje haalde op haar 47e haar
rijbewijs en binnen de kortste keren stond er een spiksplinternieuw blauw dafje
voor het huis. Van dit autootje hebben de zusters heel veel plezier gehad en
niet alleen de zusters, maar ook de ouders en vele anderen konden meegenieten
van de tochtjes die ze uitstippelden. Vele bezienswaardigheden en familieleden
werden bezocht, zowel in Friesland als daarbuiten.
Nadat beide ouders overleden waren, resp. in 1970 en 1978
bleven de zusters in de bungalow wonen. Het kosterswerk was verleden tijd, maar hun talenten
op kledinggebied werden verder benut en tot op hoge leeftijd bleven ze zeer actief in het
dorpsleven en altijd stonden ze klaar om hun medewerking en steun aan het verenigingsleven en allerlei
dorpsactiviteiten te geven.
Tine overleed in 2002, Jeltje in 2006. Beiden liggen met hun
ouders en grootouders, de drie generaties koster Tanja, op de begraafplaats naast de kerk,
die zo'n grote rol in hun leven heeft gespeeld.
En nee, de Tanjabuurt is niet naar hen vernoemd, maar naar
Hendrik Cornelis Tanja, die daar het eerste huis in 1854 bouwde. Hij was de broer van de
overgrootvader van de gezusters Tanja.
Gezien Rozendaal